tel. 09 210 69 69   •   info@pccaritas.be

Historiek

 
Ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van PC Caritas en 200 jaar psychiatrische zorg door de Zusters van Liefde van J.M. werd het boek 'Terug naar de toekomst' uitgegeven.
Het bevat bijdragen van medewerkers over de geschiedenis, de architectuur, behandeling, kunst en therapie,... en is rijk geïllustreerd met foto's en beeldmateriaal. Het boek kan besteld worden bij info [at] pccaritas [dot] be. De kostprijs bedraagt 10 euro.

Het Sint-Jozefshuis, voorloper van het Psychiatrisch Centrum Caritas

Het oudste en meest beruchte 'zinneloozengesticht' te Gent was het Sint-Janshuis, bekend onder de naam 'St.-Jan ten Dullen'. Het zou het eerste dolhuis in West-Europa geweest zijn. Reeds vanaf 1181 werden er een beperkt aantal gevaarlijke krankzinnigen in opgesloten. 'St.-Jan' ten Dullen bleef bestaan tot het einde van 18de eeuw.
In Gent waren vóór de Franse Revolutie drie krankzinnigengestichten:
Geraard DuivelsteenVanaf 1656 werden de minder gevaarlijken opgesloten in de kelders van het Geraard Duivelsteen.
Vanaf 1756 werden de mannen overgeplaatst naar het 'Rasphuys' of 'Mansweezenhuys'. De vrouwen werden overgebracht naar het 'Weesenhuys' (onder het Franse bewind 'Hospice nr. 8'), waar reeds vanaf het einde van de 13de eeuw krankzinnige vrouwen verbleven. Vanaf 1605 was deze instelling gehuisvest aan de Korte Violettenstraat. Deze twee instellingen werden door leken bestuurd.
Het derde krankzinnigengesticht (St.-Jan ten Dullen) dat bediend werd door de Broeders Alexianen werd in 1798 opgeheven door het verbod op én de afschaffing van de kloosterorden onder het Franse bewind.
De omstandigheden waarin de vrouwen en de mannen in deze twee resterende Gentse dolhuizen verbleven, waren allesbehalve rooskleurig. Het beheer van deze huizen was in handen van zogeheten 'weesenmeesters', die weinig financiële middelen kregen voor het onderhoud en zich bedienden van een allegaartje van bewakers die gewelddadig en brutaal optraden. Een geneesheer kwam er alleen voor lichamelijke klachten en de jaarlijkse inspectie door de overheid was louter een formaliteit.
Ondertussen hadden de Zusters van Liefde in 1805, op verzoek van Monseigneur Fallot de Beaumont en het Gentse Stadsbestuur, hun intrek genomen in de vroegere cisterciënzerabdij Ter Haegen te Gent. Daar stonden zij in voor de verzorging van de zieken in het 'Hospice des Incurables'.
Tijdens de Franse Revolutie werden, zoals overal, ook in Gent alle caritatieve instellingen opgeheven en werd de weldadigheidsactie toebedeeld aan twee nieuwe stedelijke instellingen, nl. de Commissies van Burgerlijke Godshuizen en de Weldadigheidsbureaus. Om diverse redenen en niet in het minst door het wegvallen van de religieuzen, hadden deze instellingen te kampen met grote moeilijkheden. Het financiële beheer was slecht en er was gebrek aan personeel. Onder impuls van Faipoult, prefect van het Scheldedepartement, kwam hierin verandering. In 1802 benoemde hij Mgr. Fallot de Beaumont tot lid van de Commissie der Godshuizen. Ter verbetering van de werking van de Commissie richtte Faipoult in 1807 een 'Comité d’ordre et d’économie' op, waarin hij Petrus Jozef Triest benoemde als één van de zes leden. In 1807 werd Triest tevens directeur van het Bijloke hospitaal en werd hij lid van de hernieuwde Commissie der Godshuizen.
Als lid van de Commissie moet het Triest hard tegen de borst gestoten hebben om te zien in welke miserabele omstandigheden het ‘Hospice nr. 8’ functioneerde. Tijdens de Commissievergadering van 16 januari 1808 klaagde hij deze situatie aan en kon hij verkrijgen dat het contract van 'weesenmeester' Coolens per 1 maart beëindigd werd. Tevens stelde hij voor om de verzorging van de krankzinnige vrouwen toe te vertrouwen aan de Zusters van Liefde. Op 4 april 1808 installeerde Triest vier zusters in het Hospice nr. 8, dat van toen af het ‘St.-Jozefshuis’ werd genoemd. Dit was de start van een ware omwenteling in de tot dan toe, met uitzondering van Geel, onbestaande verzorging en behandeling van de geesteszieken. Onder het bekwame beheer van Triest en de zorgzame inzet van de Zusters van Liefde werd het St.-Jozefshuis omgevormd tot een modelinrichting waarin de krankzinnige vrouwen op een humane manier verpleegd werden.
Joseph Guislain (1797-1860), geschilderd portret door J.E. Van der PlaetsenHet bleef niet bij deze betere behandeling. Eén van de grote verdiensten van Triest was dat hij het doorzicht en misschien wel het geluk had om een man van de wetenschap te ontmoeten die samen met hem een belangrijke pionier zou worden van de medische benadering van de krankzinnigenzorg.
Deze man was Joseph Guislain, een arts die, vanuit de bekommernis om het lot van de krankzinnigen en gestaafd door zijn wetenschappelijke overtuiging, zich wou inzetten om de behandeling van de geesteszieken te verbeteren. Op voorstel van Triest werd Guislain in 1828 benoemd tot hoofdgeneesheer van de twee krankzinnigengestichten van Gent. Eén van de eerste realisaties van hun samenwerking was het opstellen van een intern reglement dat in 1829 goedgekeurd werd door de Commissie. Dit reglement vormde tevens de basis voor de samenwerking tussen Guislain en de Broeders en Zusters van Liefde.
De opvattingen van Guislain, getoetst aan die van Triest, zouden mee aan de grondslag liggen van de nieuwe wet op de krankzinnigenzorg die in 1850 goedgekeurd werd. Die wet betrof de collocatieprocedure en de hervorming van de instellingen.
Maison de Santé - GentBij de overname van het 'Hospice nr. 8' door de Zusters van Liefde waren er ongeveer 80 zieken. Dit aantal zou gestaag stijgen. Zo waren er in 1828, het jaar van de benoeming van Guislain tot hoofdgeneesheer, 190 krankzinnige vrouwen opgenomen. In 1835 werden belangrijke verbouwingen uitgevoerd: oudere delen van het huis werden gesloopt om plaats te maken voor een nieuwe refter, spreekplaats, keuken en kapel.
Kanunnik Triest overleed op 24 juni 1836 op 76-jarige leeftijd. E.H. De Decker, die hem opvolgde als algemeen overste, richtte in 1842 het 'Maison de Santé' op in de aanpalende Bestormstraat. Dit was een instelling aanpalend aan het St.-Jozefshuis waar betalende zieken opgenomen werden. De verbouwingen werden uitgevoerd naar plannen van Guislain. Onder de opeenvolgende leiding van de algemene oversten De Decker, Janssens en Roelandts namen het St.-Jozefshuis en het Maison de Santé verder uitbreiding.
Rond 1892 ontstond er een dispuut over het eigendomsrecht van de gebouwen. Deze werden toegeschreven aan de Administratie der Godshuizen maar bleken echter eigendom te zijn van de stad Gent. Hierdoor werd de werking van de instelling erg bemoeilijkt.
In 1903 werd Kanunnik Van Rechem aangesteld als bestuurder van de Zusters van Liefde. Onder zijn leiding kende de congregatie een grote expansie. Zich baserend op instellingen in Nederland en Duitsland liet Van Rechem plannen maken voor nieuwe voorzieningen voor geesteszieken volgens het toendertijd nog in België onbestaande concept van het "paviljoenensysteem".

Caritas-Melle, een nieuwe instelling

In 1904 werd in Melle een terrein aangekocht om het eerste paviljoenencomplex te bouwen ter vervanging van het verouderde St.-Jozefshuis. De bouwwerken startten in 1905 en duurden tot 1911. Dezelfde plannen werden later gebruikt voor het bouwen van instellingen in Venray (NL) en St.-Servais (Namen).
Op 23 maart 1908 namen de eerste zusters hun intrek in Caritas en op 15 mei van datzelfde jaar verleende een ministerieel besluit de toelating tot het openen van "een gesticht voor betalende en behoeftige krankzinnige vrouwen".
Het St.-Jozefshuis en het Maison de Santé sloten op 1 juli 1908 definitief hun deuren. Door de sanering van dit stadsgedeelte verdween de Korte Violettenstraat. Verschillende leien, waaronder de Oude Houtlei en de Violettenlei, werden gedempt en maakten plaats voor nieuwe straten. Het St.-Jozefshuis diende men te situeren ongeveer op de plaats waar nu de Gebroeders Van De Veldestraat loopt.
Overzicht van het PCC met duidelijk zicht op het pavilioenensysteem, let op de landelijke omgeving vóór de aanleg van de E40.Zoals vermeld was Caritas te Melle de eerste instelling in ons land gebouwd volgens het "paviljoenensysteem". Men stapte hiermee af van de vroegere massieve complexen (b.v. het Guislaininstituut) en introduceerde een nieuw type instelling, gebaseerd op een strikte plattegrond en bestaande uit losstaande gebouwen waarbinnen de patiënten per categorie ondergebracht werden. Er werd ondermeer een onderscheid gemaakt tussen de ‘observatieafdeling’, de paviljoenen voor ‘rustige’, ‘half onrustige’ en die voor ‘onrustige’ zieken. Tevens werden de betalende zieken ondergebracht in andere gebouwen dan diegenen die niet over de financiële mogelijkheden beschikten om hun verblijf te betalen.
Het 'asiel Caritas' gold in de beginjaren als een modelinstelling. Het patiëntenaantal steeg gestaag en zou op een bepaald moment zelfs de kaap van 1.000 overschrijden. Nieuwe behandelingstechnieken werden ingevoerd. Aan te stippen valt het grote belang dat gehecht werd aan de zogeheten "arbeidstherapie". Neuroleptica werden vanaf 1952 aangewend in de behandeling.
Vanaf de jaren ’70 ontstonden ingrijpende veranderingen: niet-religieuzen kregen beleidsfuncties en het personeelsbestand werd gevoelig uitgebreid.